Europese normen IEC EN 61386

EN 61386.1 Algemene eisen. Het dekt alle leidingsystemen en accessoires voor elektrische installaties. Het moet worden gebruikt met deel 2 dat betrekking heeft op elk productsysteem.
EN 61386.21 Bijzondere eisen voor harde buissystemen en toebehoren.
EN 61386.22 Bijzondere eisen voor flexibele buissystemen en toebehoren.
EN 61386.23 Bijzondere eisen voor slangsystemen en toebehoren.
EN 61386.24 Bijzondere eisen voor ondergrondse buissystemen.

Classificatiecodes

De classificatiecode bestaat uit 12 cijfers die de technische kenmerken van het product aangeven. De markering moet de eerste 4 bevatten.

1e cijfer: drukweerstand

1 - extra licht (125 Newton)
2 - licht (320 Newton)
3 – medium (750 Newton)
4 - zwaar (1.250 Newton)
5 - extra zwaar (4.000 Newton)

2e cijfer: stootweerstand

1 - extra licht (0,5 Joule)
2 – licht (1 Joule)
3 – medium (2 Joule)
4 - zwaar (6 Joule)
5 – extra zwaar (20,4 Joule)
3e cijfer: minimale bedrijfs- en installatietemperatuur

1 – (+5°C)
2 – (-5°C)
3 – (-15°C)
4 – (-25°C)
5 – (-45°C)

4e cijfer: maximale bedrijfs- en installatietemperatuur

1 – (+60°C)
2 – (+90°C)
3 – (+105°C)
4 – (+120°C)
5 – (+150°C)
6 – (+250°C)
7 – (+400°C)

IK-code

De IK-code geeft de stootweerstand (in Joules) aan van de leidingen bij kamertemperatuur, conform de Europese norm EN 62262. Afhankelijk van het type systeem wordt de installateur geadviseerd een leiding met een bepaalde IK-code te kiezen.
WELKE IK VOOR WELKE INSTALLATIE? (Enkele voorbeelden)
IK07: Buitenkant van een woning

IK08: Sportschool 
IK10: Ondergrondse parkeergarage (meer dan 100 m2) - Wegtunnels (meer brandbeveiliging nodig)

IP-beschermingsgraad

De IP-waarde, die voldoet aan de Europese norm EN 60529, geeft de weerstand van HET BUISSYSTEEM + ACCESSOIRES aan tegen het binnendringen van externe voorwerpen.
De IP-waarde bestaat uit twee cijfers: de eerste geeft de penetratieweerstand van vaste voorwerpen aan (0 tot 6), de tweede definieert
de penetratieweerstand van water (0 tot 8).

7e cijfer: bestendigheid tegen penetratie van vaste voorwerpen
3 - beschermd tegen het binnendringen van vaste voorwerpen met
een diameter =/> 2,5 mm.

4 - beschermd tegen het binnendringen van vaste voorwerpen met
een diameter =/> 1,0 mm.
 5 - beschermd tegen stof
. 6 – stofdicht.

8e cijfer: weerstand tegen binnendringen van water
0 - geen bescherming. 
1 - beschermd tegen verticaal vallende druppels water.
2 - beschermd tegen verticaal vallende druppels water (hellend systeem tot 15°).
3 – beschermd tegen regen. 
4 – beschermd tegen spattend water
. 5 – beschermd tegen waterstralen. 
6 – beschermd tegen krachtige waterstralen. 7 – beschermd tegen de effecten van tijdelijke onderdompeling in water

Technische tests

Isolerende leidingen voor elektrische installaties, die binnen het toepassingsgebied van de Laagspanningsrichtlijn 2006/95/EG vallen, moeten voldoen aan de eisen van de nieuwe internationale / Europese normen IEC EN 61386. In de normen worden de laboratoriumvoorschriften en -tests gespecificeerd waaraan de buizen moeten worden onderworpen.

Druk- of verbrijzelingstest

1. De buis wordt zodanig aan een toenemende drukkracht onderworpen dat het op een bepaald tijdstip de kracht bereikt die is gedefinieerd in de norm voor de categorie, uitgedrukt in het eerste cijfer; de krachtintensiteit wordt gemeten in Newton.

2. Zodra deze kracht is bereikt, wordt de fout, d.w.z. het verschil tussen de oorspronkelijke buitendiameter en de buitendiameter na de test, gemeten. Deze afstand mag de in de norm gestelde grenzen niet overschrijden.

3. Zodra de fout is gemeten, wordt de kracht verwijderd en na 15 minuten wordt de zogenaamde "terugveerkracht” gemeten: het verschil tussen de oorspronkelijke buitendiameter en die van het vervormde monster mag niet groter zijn dan 10%.

Ex. ICTA 3422

De drukweerstand wordt uitgedrukt als het eerste cijfer: 3.

Het monster van ICTA 3422 wordt onderworpen aan een kracht die in 30 seconden een intensiteit van 750N bereikt: na deze kracht mag het falen van het monster niet groter zijn dan 50% (voor ICTA 20 mm bijvoorbeeld mag de diametervermindering niet groter zijn dan 10 mm). Bevinding: voor ICTA diam 20 moet de diameter na de test ten minste 18 mm bedragen.

Test stootweerstand

1. De buis en de apparatuur worden gedurende ten minste twee uur geconditioneerd bij de minimaal toelaatbare gebruikstemperatuur (die overeenkomt met de opgegeven categorie).
2. Het monster wordt geraakt door een hamer die van de in de referentienorm vastgestelde hoogte is gevallen (de massa van de hamer varieert ook naar gelang van de opgegeven categorie).
3. Het aan deze schok onderworpen monster moet volledig intact blijven om aan de norm te voldoen, zonder dat er met het blote oog barsten zichtbaar zijn.

Ex. ICTA 3422

De stootweerstand wordt uitgedrukt als het tweede cijfer: 4.

Het ICTA 3422-monster wordt onderworpen aan een temperatuur van -5°C en na 2 uur onderworpen aan een energieschoktest van 6 Joule (1 hamer van 2 kg op 30 cm afstand van het monster geplaatst).

Verificatie van de weerstand tegen minimale bedrijfstemperatuur en installatie

1. Tijdens de stootweerstandtest wordt tegelijkertijd ook de mechanische weerstand tegen de in de norm voorgeschreven minimumtemperaturen gecontroleerd.

Ex. ICTA 3422

De weerstand tegen de minimale bedrijfstemperatuur en installatietemperatuur wordt uitgedrukt als het derde cijfer: 2.

De stoottest wordt uitgevoerd op monsters die bij -5°C zijn geconditioneerd.

Controle van de weerstand tegen maximale bedrijfs- en installatietemperatuur

1. Het monster wordt gedurende 4 uur in een oven geplaatst bij de door de norm voorgeschreven temperatuur.

2. Daarna wordt het monster, nog steeds in de oven, gedurende 24 uur belast een gewicht dat volgens de norm is vastgesteld.

3. Na 24 uur wordt de last verwijderd en wordt de minimale inwendige diameter gemeten door een geschikte meter erdoor te bewegen, die niet minder mag zijn dan de door de fabrikant vastgestelde waarden.

Ex. ICTA 3422

De weerstand tegen de maximale bedrijfs- en installatietemperatuur wordt uitgedrukt door het vierde cijfer: 2.

Het ICTA 3422-monster wordt gedurende 4 uur in een oven bij 90°C geplaatst en vervolgens gedurende 24 uur belast met een gewicht van 2 kg. Aan het einde van de test mag de inwendige diameter niet kleiner zijn dan de door de fabrikant opgegeven minimale inwendige diameter.

Brandwerende test

Deze test wordt uitgevoerd met een vlam van 1 kW op kunststofkanalen waarvan wordt aangegeven dat ze zelfdovend zijn.

1. Het ICTA-monster wordt getest met een vlam die in 45 seconden 700°C kan bereiken.
2. Het aanbrengen van de vlam moet plaatsvinden voor een variabele duur, afhankelijk van de dikte van de buiswand (bijvoorbeeld voor de diameter van 20 mm is de toepassingstijd 20 seconden).
3. Na deze tijd wordt de vlam verwijderd: vanaf nu mag de buis niet langer dan 30 seconden branden en eventuele druppels mogen het onder de buis geplaatste tissuepapier niet ontsteken.

Buigweerstand

Stijve buizen (vijfde cijfer = 1):
Buizen met een uitwendige diameter van 16, 20 en 25, waarvan de fabrikant heeft aangegeven dat ze koud buigbaar zijn, worden onderworpen aan een buigtest met een speciale voorziening; vóór de test moet een cilindrische stalen veer in de buis worden gestoken zodat de buis tijdens het buigen niet inklapt. De buizen moeten koud worden getest, nadat zij gedurende ten minste twee uur bij de opgegeven minimumbedrijfstemperatuur zijn gekoeld, en de buigstraal moet ten minste zes maal de diameter bedragen. Na de test, die slechts eenmaal wordt uitgevoerd, mogen de monsters geen zichtbare barsten vertonen.

Flexibele / terugverende buizen (vijfde cijfer = 2/3)

De buizen moeten worden onderworpen aan een buigtest met een speciale voorziening, zonder dat er een veer wordt ingebracht. De buizen moeten warm worden getest en de buigstraal moet ten minste driemaal zo groot zijn als hun diameter. Na de test mogen de monsters geen zichtbare scheuren vertonen en mag het verschil tussen de oorspronkelijke buitendiameter en de buitendiameter van het vervormde monster niet meer bedragen dan 10% van de vóór de test gemeten buitendiameter.

Flexibele buizen (vijfde cijfer = 4)

De buigweerstandtest is niet van toepassing.
Glow Wire Test

De Glow Wire Test is de vuurbestendigheidsproef uitgevoerd met een gloeiende draad.
Deze proef is belangrijk voor de accessoires, die twee verschillende vuurbestedigheidstemperaturen kunnen hebben: 850°C en 960 °C.
Tijdens de proef moet men met een gloeiende draad het accessoire aanraken, gedurende de tijd voorzien door de norm, die de vastgelegde temperatuur moet bereiken.
Eens de draad wordt weggenomen, moet het branden van het accessoire ophouden.

Proef van de diëlektrische sterkte en van de isolatieweerstand De stalen van de buizen worden voor een lengte van 1 m +/- 10 mm ondergedompeld in een zoutwateroplossing, aan een temperatuur van 23 (+/-2)°C, waarbij een lengte van 100 mm boven het peil van de oplossing moet blijven. Daarna worden twee elektroden aangebracht: één in de buis, één in de kuip.

Proef van de diëlektrische sterkte:

na 24 uur koppelt men aan de elektroden een groeiende spanning van 1000 tot 2000 V. Eens de spanning van 2000 V bereikt werd, moet men die aanhouden voor een tijd van 15 minuten. De stalen hebben een gepaste diëlektrische sterkte als het interventiesysteem op 100mA niet tussenkomt tijdens de 15 minuten van de proef.

Proef van de isolatieweerstand:

men koppelt een continuë spanning van 500 V tussen de twee elektroden, waarbij de isolatieweerstand wordt gecontroleerd na 60 seconden. De stalen zijn conform als de gemeten weerstand hoger is dan 100 MΩ.